Strips van Campert in NRC Handelsblad

Op 10 maart 1979 verscheen er een strip van Remco Campert in het NRC Handelsblad. In dezelfde editie ook redaktioneel stuk “In onschuld getekend” waarin Campert spreekt over zijn tekenen.

Hieronder een transcriptie van het genoemde artikel.

Door Vera Illés (in NRC Handelsblad van 10 maart 1979):

Dertig jaar geleden debuteerde Remco Campert als schrijver van korte verhalen.
Bijna niemand weet nog dat hij in die tijd ook cartoons tekende, die net als zijn verhalen in het blad Mandril verschenen. Kort daarop koos definitief voor het schrijverschap en tekenpen en -blok in
de steek. Vandaar dat de redactie van het Zaterdags voegsel hem vroeg een wekelijks terugkerende strip te tekenen. Vandaag de eerste.

Bron: NRC Handelsblad 10 maart 1979

Tegen het einde van de jaren veertig vond een aantal Amsterdamse heren — journalisten, tekenaars — elkaar in hun gemeenschappelijke liefde voor die facetten van de Amerikaanse cultuur die het
befaamde blad The New Yorker hoog hield. Het tijdschrift dat zij samen oprichtten onder de naam Mandril spiegelde zich aan de New Yorker en gaf aanzet tot een soort journalistiek dat in
deze streken nog niet eerder was beoefend: een melange van columns, korte verhalen, cartoons en commentaar, die naar het voorbeeld van de New Yorker luchtig, geestig en op onnadrukkelijke
wijze intelligent moest zijn. Remco Campert was bijna een generatie jonger dan de redacteuren van Mandril – Frits van der Molen, Hugh Jans, Henri Knap en anderen – maar aan hen verwant als
aanhanger van het nieuwe en verleidelijke dat eindelijk overwaaide uit de Verenigde Staten. Zijn eerste korte verhalen en tekeningen verschenen in Mandril. Met enige regelmaat bracht hij die
naar de vergaderingen die in een Amsterdams café werden gehouden. “Het eerste verhaaltje en de eerste cartoon die ik ze gaf, had al in de schoolkrant gestaan”, corrigeert Campert, zich

Uit NRC Handelsblad dd 10 maart 1979

excuserend voor deze weinig verrassende start van zijn loopbaan. “Maar goed, daar is niets meer aan te doen. “Ik begon de New Yorker in 1949 of zo te lezen, je zou kunnen zeggen dat ik het schrijven van korte verhalen eigenlijk van die New Yorker-school heb geleerd. Ik zag in dat blad ook voor het eerst het soort cartoons dat ik leuk vond. Steinberg was daar een grote in; een tekeningentje, meestal zonder tekst, dat vaak ook een sociaal commentaartje inhield. Dat kenden wij hier niet en voor mij was trouwens alles nieuw natuurlijk.
„Ik dacht, dat is leuk en dat probeerde ik toen ook, dat was het eigenlijk. Behalve Mandril was hier niets anders waarin je dat soort verhalen kwijt had gekund. De redactie bestond uit vriendelijke
heren, zij vergaderden eens in de week in de Oude Herberg. „Er heerste op die vergaderingen een journalistieke sfeer, die voor mij toen vrij onbekend was, ik bleef er ook nooit lang bijzitten.
Maar het deed me wel denken aan de verhalen van de beroemde lunches aan de Round Table van het Algonquin Hotel waar altijd veel mensen van de New Yorker bij waren.Die verhalen kende de redactie
van Mandril ook, zij zaten niet voor niets in een café. Zij waren er zich van bewust dat zij een traditie aan het beginnen waren. Ik begreep wat zij deden”. Geen pijn De traditie werd door anderen
voortgezet, het blad begon na een jaar of vier wat te sukkelen. Campert voelde zich in die tijd meer aangetrokken tot de experimentelen. “Het dichten werd toen heel belangrijk voor mij en daar waren
zij niet op ingesteld. Maar korte verhalen en tekeningen kon ik er nog wel kwijt. En latèr heb ik ook nog wat tekeningen verkocht aan Het Parool. „Ik ben met tekenen echt gestopt in 1955, denk ik.
Een tijd lang had ik gedacht dat schrijven en tekenen samen kon, maar mijn hart zat toch meer in het schrijven. Het tekenen had misschien wel wat kunnen worden als ik naar de academie was gegaan en
mij er helemaal op had gestort, maar die moeite wou ik niet nemen. Ik ben toen heel bewust gestopt, ook niet meer gekrabbeld, helemaal niets. Dat deed helemaal geen pijn, ik dacht er gewoon nooit meer aan.” Angst Maar het moest er toch wel weer van komen. Door een samenloop van omstandigheden kwam de redactie van het Zaterdags Bijvoegsel op het idee Campert te vragen of hij niet weer eens iets wilde tekenen. Hij heeft er lang over nagedacht, maar het experiment leek hem het risico van een mislukking waard. De tekeningen die in de komende tijd wekelijks op deze plaats gaan verschijnen, verschillen veel van de cartoons uit de Mandril-tijd. „Ik tekende toen heel pietepeuterig, vaak zette ik er een tekstje onder, een plaatje met een praatje. Dat soort cartoons zijn voorbij, geeindigd in Tussen de rails. Hun plaats is overgenomen door de politieke prent, het commentaar op het nieuws zoals Wibo in de Volkskrant tekent, en de strips. „Ik lees weinig strips. Er treedt na verloop van tijd zo’n gewenning op, op den duur ken je het verhaaltje wel. Er zijn er een paar die ik erg goed vind, Malsen in de Haagse Post, Pogo vroeger in de Herald Tribune, Fop in de Volkskrant, Jaap Vegter in Vrij Nederland sinds hij dat familie’tje gevonden heeft. Ik heb grote bewondering voor Bretecher, zij heeft een formidabele techniek – die minimale veranderingen die op die plaatjes plaatsvinden. Maar het is een beetje vreemd dat ik hier oordeel over tekeningen van anderen; en dan moet je mijn tekeningen daar eens naast zien. „Ik heb het er heel moeilijk mee gehad, doodsangsten uitgestaan en toen ben ik midden in de nacht in een moment van totale gedachteloosheid begonnen. Er zit geen idee, geen plan achter, ik heb ze echt in onschuld – dat is hier echt het woord voor — getekend. Je kunt ze ook geen strip of cartoon noemen. Zonder dat ik wil beweren dat ze op Thurber lijken – dat zou ik echt niet durven — denk ik toch dat ze nog het meest die kant opgaan. Thurber tekende voor de grap, want hij beschouwde zichzelf als een schrijver. Zijn hoofdredacteur viste de papiertjes die hij weggooide uit de prullemand en zette er een tekstje bij. Nou, in die orde ligt het voor mij ook een beetje. Ik wil er niet over nadenken, of wat het betekent of wat er achter zit; zolang ik teken schakel ik echt mijn hersens ujt. Het proces van nadenken zal, vrees ik, toch wel beginnen als het eenmaal in de krant staat. Maar dat moment wil ik zo lang mogelijk uitstellen. „Maar ik ben toch bang dat mijn gebrek aan techniek een struikelblok wordt.
Waar ik nu nog sterk op hang, is dat ik toch een bepaalde naam heb. Daar kom je niet onderuit. Het is even leuk. De mensen denken: hé, Remco tekent ook, of zoiets. ,Maar op den duur gaat het toch
vervelen. Dan wordt het meer: o god, daar heb je hem weer. Dan wordt het steeds duidelijker dat ik niet zo goed kan tekenen.”

De laatste strip verscheen alweer op 19 mei, na 11 weken was het over.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s